Vijf duo's die bewijzen dat onervarenheid geen ramp is

Vijf duo's die bewijzen dat onervarenheid geen ramp is

25 januari 2018 – Over het rijdersduo van Williams is in de afgelopen week al veel gezegd en geschreven – met een gemiddelde leeftijd van nog geen 21 jaar zijn Lance Stroll en Sergey Sirotkin wel érg jong. Bovendien moet de Rus zijn debuut nog maken, waar de Canadees 'slechts' een jaar ervaring heeft. Stellen dat 2017 foutloos verliep voor Stroll, is bovendien onmogelijk. Toch is het tweetal niet gedoemd om te falen. GPUpdate.net wierp een blik in het verleden.



Want: het laten rijden van twee onervaren coureurs is meestal een gok, en soms loopt het niet goed af – echter, er zijn genoeg voorbeelden uit de geschiedenis van de koningsklasse die bewijzen dat het niet per definitie een ramp hoeft te zijn. Dit zijn de combinaties waaraan Sirotkin en Stroll een voorbeeld kunnen nemen.

2001, Sauber: Nick Heidfeld en Kimi Räikkönen

Na een chaotisch verlopen debuutseizoen in dienst van Prost mag de jonge Duitser Heidfeld, in 1999 kampioen in de Formule 3000 (voorloper van GP2, F2) zijn opwachting maken bij Sauber. De blauwgroene wagen ligt hem aanmerkelijk beter dan de bolide van viervoudig wereldkampioen Alain Prost en gelijk tijdens de seizoensstart laat Heidfeld de wereld zien wel degelijk uit het juiste racehout te zijn gesneden. Zijn Finse teamgenoot, een complete onbekende in zo'n beetje het gehele universum, krijgt vanwege zijn onervarenheid een licentie voor slechts vier wedstrijden. Kimi Räikkönen had er aan eentje genoeg om zijn criticasters de mond te snoeren: direct in zijn debuutrace in Australië scoorde de Fin, al zij het dankzij een tijdstraf van een concurrent, een punt. Heidfeld zorg in Brazilië voor het hoogtepunt van het seizoen door achter David Coulthard en Michael Schumacher als derde over de eindstreep te komen, Räikkönen wordt in zowel Oostenrijk als Canada vierde. Let wel: Sauber – het is anno 2018 amper voor te stellen – is in 2001 het Force India van de paddock. Het budget reikt zeker niet tot in de hemel, maar met de middelen die voorhanden zijn worden wonderen verricht.

1997, Jordan: Giancarlo Fisichella en Ralf Schumacher

Evenals Peter Sauber heeft ook Eddie Jordan er in de jaren '90/00 een handje van om een gewaagde gok door te voeren. De Ierse teambaas zet in 1997 Giancarlo Fisichella, die acht Grands Prix ervaring heeft, en debutant Ralf Schumacher in zijn wagens. Het duo blijkt lichtontvlambaar – met name Schumi II rijdt nog al eens een wagen aan gort (of helpt de wagen van zijn teamgenoot aan gort, Argentinië) – maar zowel de Italiaan als de Duitser belandt een of meerdere keren op het erepodium. Fisichella blinkt uit in Canada (derde) en België (tweede), ziet een mogelijke zege in Duitsland door zijn vingers glippen vanwege een klapband. Het broertje van Michael Schumacher kent een Strollachtige, ruige openingsfase van zijn F1-carrière, maar krijgt net als de Canadees twintig jaar later zou doen, de boel in de zomer op de rails. Fisico wordt door manager Flavio Briatore direct bij Benetton ondergebracht, wat destijds nog over het predikaat topteam beschikt. Schumacher wordt in '98 steeds beter, moet tot zijn ongenoegen nieuwe teammaat Damon Hill de overwinning laten in Spa-Francorchamps en trekt vervolgens naar Williams, waar hij uit zou groeien tot een van de sterksten van het veld.

2015, Toro Rosso: Max Verstappen en Carlos Sainz

Waar is Toro Rosso in de zomer van 2014 in vredesnaam mee bezig? Met Jean-Éric Vergne en Daniil Kvyat heeft het Italiaanse team twee veelbelovende talenten aan boord, bovendien hebben Sebastian Vettel en Daniel Ricciardo in het verleden bewezen de overstap van Toro Rosso naar het hoofdteam van Red Bull moeiteloos te kunnen maken. Nee, het plan moet compleet om: de dan 16-jarige Max Verstappen wordt tot Red Bull-junior gebombardeerd en krijgt binnen no-time te horen driekwart jaar later zijn Formule 1-debuut te mogen maken. Doordat Vettel Red Bull verlaat om aan te schuiven bij Ferrari kan Kvyat doorstromen – Vergne wordt zonder pardon de deur gewezen. Zodoende komt er een plekje vrij voor World Series-kampioen Carlos Sainz, die in september 2014 zijn 20ste verjaardag viert. Met een gecombineerde leeftijd van 37 jaar verschijnt het jongste rijdersduo uit de geschiedenis van de Formule 1 in Albert Park aan de start, om allerminst teleur te stellen. Gedurende het jaar laten zowel Verstappen als Sainz zien ongelooflijk snel te zijn – de Nederlander mag veertien maanden na zijn debuut al overstappen naar Red Bull. The rest is history..

1994, Jordan: Rubens Barrichello en Eddie Irvine

Zoals bij Fisichella en Schumacher al werd vermeld: Eddie Jordan zou waarschijnlijk hebben meegedongen naar de Gouden Pik, mocht door Arjen Robben tijdens het WK van 2014 in het leven geroepen prijs in de jaren '90 al bekend zijn geweest in de autosportwereld. Jordan laat in 1993 het Braziliaanse talent Rubens Barrichello debuteren en ondanks een paar opstartproblemen blijkt dat een gouden greep. Aan het einde van het seizoen mag Eddie Irvine het tweede zitje, waar een heuse stoelendans om wordt gehouden, innemen. De Noord-Ier, die in de latere geschiedenis meermaals de spotlights op zich gericht weet te krijgen, bouwt in zijn debuutrace direct de nodige naamsbekendheid op door een klap te krijgen van niemand minder dan Ayrton Senna. Irvine acht het nodig zichzelf te ontdoen van een ronde achterstand, waardoor hij leider Senna doodleuk inhaalt. Dat is tegen het zere been van de Braziliaan, die van mening is dat jonge, beginnende rijders zich beter gedeisd kunnen houden. De start van wat zijn eerste volledige seizoen moet worden is ook al niet vlekkeloos – Irvine veroorzaakt een massacrash in Brazilië, waarbij onder meer Jos Verstappen is betrokken. Na drie wedstrijden schorsing mag de Noord-Ier terugkeren, om zijn leven te beteren. Barrichello heeft zijn naam dan al gevestigd. De Braziliaan beklimt op het TI Aida-circuit in Tanaka het podium als derde, om later in het jaar nog vier vierde plaatsen te veroveren. Zowel Irvine als Barrichello zou uitgroeien tot racewinnaar, al kwamen ze beiden op het pad van een ongenaakbare Duitser terecht. 

1984, Tyrrell: Martin Brundle en Stefan Bellof

Een voorbeeld nemen aan wat het team van Tyrrell in 1984 deed, kan Williams tegenwoordig beter niet doen. Toch is het verhaal te mooi om te laten liggen. De Brit Brundle en de Duitser Bellof, twee supertalenten, worden door Ken Tyrrell aan een zitje geholpen voor het seizoen 1984. Wat het tweetal laat zien is ongelooflijk: Bellof rijdt in de regenrace in Monaco (die de geschiedenis in is gegaan als de waanzinnige inhaalwedstrijd van Senna) mogelijk het hardst van iedereen, om op plaats drie over de streep te komen als de wedstrijd wordt stilgelegd en afgevlagd. Teammaat Brundle komt enkele weken later in Detroit slechts een seconde tekort op de zege, die naar toenmalig regerend wereldkampioen Nelson Piquet gaat. In de zomer komt de aap echter uit de mouw: Tyrrell speelt vals. Men rijdt ongeveer de gehele wedstrijd onder het minimumgewicht, om tijdens de laatste pitstop onder hoge druk vloeistoffen toe te voegen. Bovendien wordt er gebruik gemaakt van illegale ballast en zijn er gaten in de vloer van de wagen te vinden. Leuk geprobeerd, jammerlijk gefaald. Brundle zou nog jaren in de Formule 1 blijven, winnen deed hij echter nooit. Bellof knakte in de dop – de Duitser verongelukte een jaar later tijdens een sportscarrace op Spa.

Door: René Oudman

gerelateerd

Reacties

Meer nieuws

  1. vrijdag 26 april 2019

  2. donderdag 25 april 2019